ECLI:NL:RBDHA:2018:9127
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod na intrekking asielaanvraag en rechtmatig verblijf
Eiseres, een Oekraïense nationaliteit houdende vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in na binnenkomst met een Schengenvisum via Polen en Duitsland. Na een aanmeldgehoor verklaarde zij haar paspoort te zijn kwijtgeraakt en trok zij haar asielaanvraag in, terwijl zij een geldig visum had en een arbeidscontract in Tsjechië.
Verweerder legde een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op, omdat het rechtmatig verblijf met de intrekking van de asielaanvraag was geëindigd en eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij rechtmatig in Polen verbleef of bijzondere individuele omstandigheden had.
De rechtbank oordeelde dat eiseres door het indienen van de asielaanvraag aangaf langdurig verblijf te beogen, wat niet strookt met het doel van het Schengenvisum voor kort verblijf. Hierdoor was het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht opgelegd. Een procedureel gebrek werd gepasseerd omdat eiseres geen verschoonbare reden voor intrekking had aangevoerd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank het beleid en de wettelijke bepalingen inzake inreisverboden en rechtmatig verblijf toepaste. Er was geen aanleiding om het inreisverbod te matigen of te vernietigen.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar is ongegrond verklaard.