ECLI:NL:RBDHA:2018:9065
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging opvang na afwijzing opvolgende asielaanvraag
Eisers, die een opvolgende asielaanvraag hadden ingediend, kregen op 9 maart 2018 de opvangvoorzieningen beëindigd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Zij tekenden beroep aan tegen de fictieve weigering van de opvang te continueren en verzochten om een voorlopige voorziening, welke op 15 maart 2018 werd toegewezen, waardoor de beëindiging werd opgeschort tot uitspraak.
Op 15 maart 2018 ontvingen eisers de besluiten waarbij hun verzoeken om opvang te continueren werden afgewezen. De rechtbank hield op 27 juni 2018 een zitting en overwoog dat de eerdere uitspraak van 29 maart 2018, waarin de opvolgende asielaanvragen van eisers werden afgewezen, tot gevolg had dat zij geen recht meer hadden op opvang.
De rechtbank stelde dat het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen geen schorsende werking heeft en dat eisers zich tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moeten wenden voor een voorlopige voorziening. Omdat eisers tot dan toe opvang hadden genoten, was er geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat eisers geen belang meer hebben na afwijzing van hun opvolgende asielaanvragen en het hoger beroep geen schorsende werking heeft.