ECLI:NL:RBDHA:2018:8942

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
23 juli 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 15357
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:3 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening tegen besluit verblijf gemeenschapsonderdaan

Eiseres, een Bulgaarse gemeenschapsonderdaan, maakte bezwaar tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat zij geen rechtmatig verblijf had en Nederland binnen vier weken moest verlaten.

De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Eiseres stelde dat zij het bezwaar reeds op 1 mei 2017 had ingediend, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het bezwaarschrift dat wel in het dossier zat, was van 26 mei 2017, na de wettelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat medische klachten en haar situatie als alleenstaande moeder onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Ook was het niet nodig om het bezwaar inhoudelijk te beoordelen of te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro.

Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het horen van eiseres niet verplicht was omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/15357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad en bepaald dat eiseres Nederland binnen vier weken dient te verlaten.
Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. P. Kruik, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Bulgaarse nationaliteit.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft voorts geen aanleiding gezien de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
3. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat zij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Zij heeft reeds op 1 mei 2017 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
Voorts betoogt eiseres dat de eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij is een alleenstaande moeder met een scala aan medische klachten. Verweerder heeft haar ook ten onrechte niet in bezwaar gehoord, zodat zij dit niet naar voren heeft kunnen brengen - hetgeen vooringenomenheid van verweerder impliceert.
Voorts is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij is in Nederland geworteld en heeft ook financieel geïnvesteerd in haar toekomst hier, aldus eiseres.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit is verzonden op 19 april 2018 en dat de bezwaartermijn ingevolge artikel 69 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 derhalve verstreek op 17 mei 2017. Verweerder heeft op 29 mei 2017 een bezwaarschrift van 26 mei 2017 ontvangen. Dit is buiten de bezwaartermijn. Eiseres heeft echter gesteld reeds op 1 mei 2017 een bezwaarschrift te hebben gestuurd. Het is vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters dat in een geval waarin het bestuursorgaan stelt een bezwaarschrift niet te hebben ontvangen, het op de weg ligt van degene die stelt dat geschrift te hebben verzonden om aannemelijk te maken dat hij het geschrift ter post heeft bezorgd dan wel heeft afgegeven. De enkele stelling dat het geschrift ter post is bezorgd of is afgegeven, is daartoe onvoldoende. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij reeds op 1 mei 2017 het bezwaarschrift ter post heeft bezorgd. Verweerder is derhalve terecht uitgegaan van het bezwaarschrift van 26 mei 2017. Verweerder heeft de termijnoverschrijding van dat bezwaarschrift niet verschoonbaar hoeven achten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat pijnklachten in de schouder en duizeligheid, waarvan eiseres volgens de door haar overgelegde medische informatie in de periode juli-september last had, en de omstandigheid dat zij alleenstaande moeder is, onvoldoende is voor een ander oordeel.
4.2
Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar niet wordt toegekomen, heeft verweerder terecht niet aan artikel 8 van Pro het EVRM getoetst.
4.3
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beschikking. Gelet op hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiseres heeft kunnen afzien.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.