ECLI:NL:RBDHA:2018:8941
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens onrechtmatig verblijf en oplegging inreisverbod
Eiser, met Turkse nationaliteit, heeft zich voorgedaan als zijn broer die een verblijfsvergunning had, terwijl hij zelf nooit rechtmatig verblijf had. Verweerder wees de aanvraag van eiser voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene af omdat eiser niet voldeed aan de vereiste van minimaal vijf jaar rechtmatig verblijf. Tevens legde verweerder een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser voerde aan dat hij en zijn broer als één persoon moesten worden gezien en dat de vergunning op naam van zijn broer zijn rechtmatig verblijf dekte. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval is en dat het gebruik van de verblijfsvergunning van zijn broer door eiser geen rechtmatig verblijf oplevert.
De rechtbank bevestigde dat het primaire besluit van verweerder een terugkeerbesluit is en dat het inreisverbod terecht is opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het bezwaar van eiser werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, maar de rechtbank volgde eiser hierin niet omdat het inreisverbod terecht is opgelegd.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de verzoeken van eiser af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.