ECLI:NL:RBDHA:2018:8876

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juli 2018
Publicatiedatum
23 juli 2018
Zaaknummer
18.11938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Verordening 604/2013Art. 18 lid 1 Verordening 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend die door verweerder niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland volgens het Eurodac-systeem verantwoordelijk was. Duitsland had een terugnameverzoek geaccordeerd op basis van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.

Eiser betoogde dat het beroep ten onrechte geen automatisch schorsende werking had en verweerde zich tegen de aanname van zijn meerderjarigheid. De rechtbank verwierp het beroep op het arrest Gnandi omdat dit betrekking heeft op terugkeerbesluiten en niet op overdrachtsbesluiten zoals in deze zaak. Tevens mocht verweerder uitgaan van de geregistreerde meerderjarigheid in Duitsland, aangezien eiser geen authentieke documenten overlegde.

Ten slotte werd het beroep op de humanitaire clausule van artikel 17 Dublinverordening Pro niet onderbouwd geacht. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen aanleiding had gezien om de asielaanvraag aan zich te trekken en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.11938
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL18.11939, plaatsgevonden op 19 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Soedanese nationaliteit te bezitten. Verweerder heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat hij eerder asiel heeft aangevraagd in Duitsland. De autoriteiten van Duitsland hebben een verzoek om eiser terug te nemen geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 604/2013 (Dublinverordening).
2. Eiser voert aan dat aan zijn beroep ten onrechte geen automatisch schorsende werking is verleend, gelet op het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zaaknummer C-181/16, www.curia.europa.eu). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling, reeds vanwege het feit dat dit arrest ziet op terugkeerbesluiten en het bestreden besluit geen terugkeerbesluit is maar een overdrachtsbesluit.
3. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat hij meerderjarig is ( [geboortedatum1] ) omdat hij de bij de autoriteiten van Duitsland bekende leeftijd niet zelf heeft opgegeven. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt echter dat verweerder in beginsel mag uitgaan van een door een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum, behoudens tegenbewijs in de vorm van authentieke identificerende documenten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910. Nu eiser in Duitsland als meerderjarig geregistreerd staat en nu hij geen authentieke identificerende documenten heeft overgelegd, mocht verweerder van die registratie uitgaan.
4. Ten slotte voert eiser aan dat overdracht aan de autoriteiten van Duitsland in strijd is met de humanitaire clausule van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Omdat deze stelling niet nader is onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om op grond van dit artikel eisers asielaanvraag aan zich te trekken.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 19 juli 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.