ECLI:NL:RBDHA:2018:8643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens onvoldoende middelen
Eiseres, met de Guinese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het vereiste van voldoende en duurzame middelen van bestaan zoals bepaald in artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres betwistte dit en stelde dat de betreffende bepaling een kan-bepaling is en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Tevens voerde zij aan dat zij wel in haar levensonderhoud voorziet en dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase.
De rechtbank oordeelde dat de middelenvereiste strikt geldt en dat de lidstaten volgens de EU-richtlijn verplicht zijn dit te toetsen. De overgelegde loonstroken en contracten boden onvoldoende bewijs van zelfstandige en duurzame middelen. De rechtbank verwierp het beroep op de kan-bepaling en stelde dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft gehandeld. Ook werd geoordeeld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet is geschonden en dat de hoorplicht in bezwaar niet van toepassing was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J.P. Bosman op 17 juli 2018.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende middelen.