ECLI:NL:RBDHA:2018:8569
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na gegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor wijziging en verlenging van zijn verblijfsvergunning voor het zoeken naar en verrichten van arbeid in het kader van de regeling 'zoekjaar hoogopgeleiden'. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen bij besluit van 28 november 2017. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard op 22 januari 2018. Vervolgens stelde verzoeker beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard in een andere procedure (zaaknummer AWB 18/969), waardoor niet langer wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste zoals gesteld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Omdat het beroep gegrond is verklaard, heeft de rechtbank besloten om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. De proceskosten worden vastgesteld op €501,- voor de beroepsmatige bijstand door een derde. Daarnaast wordt het betaalde griffierecht van €170,- aan verzoeker vergoed. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en proceskosten en griffierecht worden aan verzoeker vergoed.