ECLI:NL:RBDHA:2018:8515
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit kosten bestuursdwang kozijnen wegens onvoldoende bewijs marktconformiteit
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over de kosten van bestuursdwang voor werkzaamheden aan kozijnen van drie ramen. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat verweerder de bewijslast droeg om aan te tonen dat de kosten marktconform waren.
Verweerder overhandigde een kostenberekening van een bouwkundig adviesbureau met een hogere prijs dan de oorspronkelijke offerte, maar gebruikte een peildatum die niet overeenkwam met de datum van de offerte. Hierdoor slaagde verweerder er niet in de marktconformiteit aan te tonen. Het standpunt dat het raamcontract met de vaste aannemer automatisch marktconform zou zijn, werd door de rechtbank verworpen.
Omdat geen eenduidige uitkomst mogelijk was, kon de rechtbank het geschil niet finaal beslechten en werd verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank gaf in overweging om bij het nieuwe besluit de kosten te baseren op het gemiddelde van de oorspronkelijke aannemersprijs en een alternatieve offerte, vermeerderd met opslag en voorbereidingskosten.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de kosten van € 11.335 exclusief btw betrof, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres.
Uitkomst: Het bestreden besluit over de kosten van bestuursdwang wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.