ECLI:NL:RBDHA:2018:8362
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod en terugkeerbesluit vreemdeling met relatie Nederlander
Eiseres, een Braziliaanse vreemdeling, werd bij besluit van 10 januari 2018 verplicht Nederland onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Zij stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het inreisverbod haar recht op gezinsleven schendt en dat het gehoor voorafgaand aan het besluit onzorgvuldig was verlopen.
De rechtbank stelde vast dat eiseres tijdig beroep had ingesteld en verklaarde het beroep ontvankelijk. De rechtbank overwoog dat het inreisverbod conform de Vreemdelingenwet 2000 terecht was opgelegd, aangezien eiseres vrijwillig was vertrokken en geen gronden had aangevoerd om af te zien van het inreisverbod. Het proces-verbaal van het gehoor was op ambtseed opgemaakt en hoefde niet door eiseres te worden ondertekend.
Hoewel eiseres tijdens het beroep en de zitting haar relatie met een Nederlander aanvoerde, had zij dit niet tijdens het gehoor gedaan. De rechtbank achtte dit onvoldoende om het inreisverbod te vernietigen. Wel werd erkend dat eiseres een aanvraag voor een verblijfsvergunning bij partner kan indienen, waarna het inreisverbod ambtshalve kan worden opgeheven.
De rechtbank constateerde een kennelijke verschrijving in het besluit, maar oordeelde dat dit de geldigheid van het inreisverbod niet aantastte. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod en terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.