Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2018 in de zaak tussen
[minderjarige zoon]([minderjarige zoon]), te [plaats], eiser,
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon met een meervoudige handicap, ontving op grond van de Jeugdwet meerdere besluiten tot toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele jeugdhulpvoorzieningen, waaronder onderwijs in de thuissituatie. Eiser maakte bezwaar tegen de duur van de toekenning en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en tegen het bestreden besluit dat zijn bezwaren ongegrond verklaarde.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet tijdig op het bezwaar had beslist, maar dat alsnog binnen de wettelijke termijn een besluit was genomen, zodat geen dwangsom werd toegekend. De rechtbank nam het standpunt van verweerder over dat onderwijs niet valt onder de Jeugdwet en dat passend onderwijs onder de Wet passend onderwijs valt, wat door de rechtbank werd bevestigd. Daarom werd het bestreden besluit voor zover het betrekking had op het pgb voor onderwijs vernietigd en primair besluit III herroepen wegens strijd met de Awb.
De rechtbank wees het verzoek van eiser af om een declaratoire uitspraak te doen over de wijze van inrichting van passend onderwijs, omdat de bestuursrechter daartoe niet bevoegd is. Tot slot werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank benadrukte dat de uitspraak niet voorziet in passend onderwijs voor de zoon van eiser, maar dat partijen in overleg moeten treden om dit mogelijk te maken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het pgb onderwijs en het besluit vernietigd; het griffierecht wordt aan eiser vergoed.