ECLI:NL:RBDHA:2018:8262
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, van Jamaicaanse nationaliteit, diende op 1 februari een asielverzoek in Duitsland in, dat werd afgewezen. Op 13 mei 2018 werd eiser in Nederland aangehouden en deed hij opnieuw een asielaanvraag. Verweerder besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk blijft voor de procedure.
Eiser voerde aan dat Nederland de behandeling moest overnemen vanwege de eerdere afwijzing in Duitsland en het risico op uitzetting naar Jamaica. De rechtbank oordeelde dat dit geen reden is om af te wijken van de Dublin-verordening, aangezien de Duitse procedure gelijkwaardig is aan de Nederlandse.
Daarnaast stelde eiser dat hij een vriendin in Nederland heeft die zwanger van hem is, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs. Daarom zag verweerder geen reden om de aanvraag in Nederland te behandelen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van het connexiteitsvereiste. Tegen het vonnis is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.