ECLI:NL:RBDHA:2018:7917
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunningen op grond van artikel 8 EVRM en weigering vrijstelling mvv
Eisers, een Chinese moeder en haar zoon, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen voor verblijfsvergunningen, waarbij zij zich beroepen op artikel 8 EVRM Pro (recht op privé- en gezinsleven) en de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelt dat eisers ontvankelijk zijn in hun beroep ondanks het niet betalen van leges, vanwege hun financiële situatie.
De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarop het legestarief is gebaseerd, maar passeert dit motiveringsgebrek omdat eisers inhoudelijk zijn beoordeeld zonder betaling van leges. Verweerder heeft de aanvragen feitelijk afgewezen omdat geen vrijstelling van het mvv-vereiste kon worden verleend, waarbij werd geoordeeld dat terugkeer naar China geen disproportionele aantasting van het privéleven oplevert.
Eisers betogen dat verweerder hun banden met Nederland onvoldoende heeft meegewogen en verwijzen naar het arrest Butt tegen Noorwegen. De rechtbank volgt dit niet en stelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het restrictieve toelatingsbeleid rechtvaardigen.
De rechtbank weegt mee dat eiser is geboren en opgegroeid in Nederland, maar dat moeder en zoon ook banden met China hebben en dat moeder haar zoon kan ondersteunen bij aanpassing aldaar. Het voornemen van eiseres tot suïcide bij uitzetting wordt niet als zwaarwegend genoeg gezien om het belang van de staat te doorbreken.
De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat het onrechtmatig op straat zetten van eisers in eerdere procedures niet ontslaat van de meldplicht en het suïcidevoornemen mogelijk manipulatief is. De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen.