ECLI:NL:RBDHA:2018:7261
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiser, een Iraanse nationaliteit, heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend waarbij hij zijn bekering tot het christendom als grond aanvoert. Deze bekering was in een eerdere procedure al als ongeloofwaardig beoordeeld. Eiser stelt dat zijn geloof is verdiept en dat hij bedreigd wordt door familieleden vanwege zijn bekering.
Verweerder heeft het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetst of eiser voldoende inzicht heeft gegeven in zijn bekeringsproces en of de bedreiging aannemelijk is gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen overtuigende en consistente verklaring heeft gegeven over zijn bekering, onder meer vanwege tegenstrijdigheden over de betekenis van zijn doop en beperkte kennis van het christendom. Ook is de verklaring van een derde niet doorslaggevend. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat zijn broer door neven is vermoord vanwege de bekering.
De rechtbank concludeert dat de nieuwe elementen onvoldoende zijn om de afwijzing te vernietigen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.