ECLI:NL:RBDHA:2018:7110
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag urgentieverklaring voor zelfstandige woonruimte wegens onvoldoende contra-indicatie kamerbewoning
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om voorrang te krijgen bij het verkrijgen van zelfstandige woonruimte, vanwege zijn psychische gesteldheid en persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op grond dat eiser zijn woonprobleem kan oplossen door het huren van een onzelfstandige woonruimte (kamerbewoning).
Eiser betoogde dat zijn depressie en psychosociale problemen hem ongeschikt maken voor kamerbewoning en dat hij door opeenstapeling van nare gebeurtenissen zijn woning en baan is kwijtgeraakt. Hij overhandigde verklaringen ter ondersteuning van zijn verzoek. Verweerder stelde dat eiser niet in aanmerking komt voor woningen voor personen ouder dan 45 jaar en dat hij niet heeft aangetoond dat hij een particuliere kamer niet kan bekostigen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser kan voorzien in zijn woonprobleem door kamerbewoning. De huisartsverklaring van eiser werd niet als voldoende onafhankelijk medisch bewijs gezien. De hardheidsclausule werd terughoudend toegepast vanwege de schaarste aan sociale woningen en de situatie van eiser werd niet als uitzonderlijk anders dan die van vergelijkbare alleenstaanden gezien.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring is ongegrond verklaard.