Verzoekster is op 16 december 2016 aangehouden met een hoog alcoholpromillage en kreeg een medisch onderzoek opgelegd vanwege twijfels over haar geestelijke geschiktheid om te rijden. Het CBR verklaarde haar rijbewijs ongeldig wegens alcoholmisbruik op basis van psychiatrische rapportages. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de door de psychiater uitgebrachte rapportages tegenstrijdig en onvoldoende concludent zijn, met name over de vraag of verzoekster gestopt is met alcoholmisbruik en wanneer de recidiefvrije periode zou zijn aangevangen. Hierdoor is het oordeel van het CBR onvoldoende onderbouwd.
Gezien het spoedeisend belang van verzoekster, die haar rijbewijs nodig heeft voor haar autistische zoon en haar werk, en het feit dat het rijbewijs tot 6 februari 2018 niet was geschorst, prevaleren haar belangen bij een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter schorst het besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar, zodat het CBR nader onderzoek kan verrichten en de medische verklaring kan bestuderen.
De griffierechten worden aan verzoekster vergoed. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.