ECLI:NL:RBDHA:2018:6513
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter wegens gebrek aan gegronde vrees voor partijdigheid
In deze zaak heeft verzoeker tijdens een comparitie van partijen het wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter M.T. Nijhuis. Verzoeker stelde dat de kantonrechter subjectief en partijdig handelde, onder meer door opmerkingen over zijn houding en het beperkte tijdsbestek voor zijn opmerkingen.
De kantonrechter gaf aan te hebben getracht een oplossing te bereiken en partijen ruim aan het woord te laten, maar constateerde dat het geschil beslist moest worden. De wrakingskamer heeft het proces-verbaal en de schriftelijke reactie van de kantonrechter bestudeerd.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen concrete feiten zijn die een gegronde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Kritische opmerkingen van de kantonrechter tijdens een comparitie zijn toegestaan en vormen geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Ook de procedurele beslissing om geen schriftelijke reactie toe te staan is onvoldoende zwaarwegend voor wraking.
De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was bij het indienen van het wrakingsverzoek. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor onpartijdigheid.