ECLI:NL:RBDHA:2018:6512
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter wegens niet verplaatsen zittingsdatum
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. G.P. van Ham, voorzieningenrechter bij de rechtbank Den Haag, omdat de zittingsdatum van een kort geding niet werd verplaatst ondanks een verzoek daartoe. Tevens wees verzoeker op een eerdere negatieve ervaring met dezelfde voorzieningenrechter.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het beginsel van onpartijdigheid zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De kamer oordeelde dat het niet verplaatsen van een zittingsdatum een processuele beslissing is die in beginsel geen grond voor wraking vormt, tenzij deze beslissing zo onbegrijpelijk is dat er een gegronde vrees voor partijdigheid bestaat.
De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden had aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid konden onderbouwen. Ook een eerdere negatieve ervaring met de voorzieningenrechter bood geen grond voor wraking. De stelling dat de dagvaarding nietig zou zijn, werd als een inhoudelijke kwestie beoordeeld die in de bodemprocedure aan de orde moet komen.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek tot wraking af en bepaalde dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond bij het indienen van het wrakingsverzoek. De beslissing werd op 18 mei 2018 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde vrees voor partijdigheid.