ECLI:NL:RBDHA:2018:6511
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende onpartijdigheid
Op 9 april 2018 vond de mondelinge behandeling plaats van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en zijn werkgever. Tijdens deze zitting diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter, stellende dat eerdere persoonlijke en zakelijke banden van de kantonrechter met een persoon die een verklaring over verzoeker had afgelegd, de onpartijdigheid in gevaar brachten.
De kantonrechter gaf aan dat zij ongeveer twintig jaar geleden voorzitter was geweest van het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool en destijds contact had met een opvolger van haar, maar dat dit contact al meer dan tien jaar geleden was verbroken. Tevens werd toegelicht dat de verklaring van deze persoon slechts een bescheiden rol in het dossier speelde. Daarnaast werd het wrakingsverzoek mede gebaseerd op het feit dat de kantonrechter ter zitting getuigen toeliet die niet tevoren waren aangekondigd.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. Het contact van de kantonrechter met de betreffende persoon lag te lang in het verleden om als grond voor wraking te dienen. Ook was het noteren van namen van aanwezigen een processuele beslissing die geen grond voor wraking vormt, tenzij deze onbegrijpelijk is en wijst op vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.
De wrakingskamer besloot het verzoek tot wraking af te wijzen en het proces in de hoofdzaak voort te zetten zoals dat was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. De beslissing werd op 18 mei 2018 openbaar uitgesproken door drie rechters van de wrakingskamer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.