ECLI:NL:RBDHA:2018:6449
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens niet-aantonen arbeidsongeschiktheid
Eiser, een Estse gemeenschapsonderdaan, betwist het besluit van verweerder dat zijn verblijfsrecht is geëindigd omdat hij sinds februari 2016 geen arbeid meer verrichtte en niet heeft aangetoond arbeidsongeschikt te zijn. Eiser stelde dat hij door een incident met een politiehond tijdelijk arbeidsongeschikt was en een revalidatieproces heeft doorlopen. Hij overhandigde medische verklaringen en stelde dat hij sinds oktober 2016 actief op zoek is naar werk.
Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het aan eiser is om zijn arbeidsongeschiktheid vanaf eind februari 2016 te bewijzen, hetgeen niet is gelukt. De rechtbank oordeelt dat de overgelegde medische stukken betrekking hebben op perioden vóór februari 2016 en dat uit de medische gegevens na die datum niet blijkt dat eiser arbeidsongeschikt was. Verweerder hoefde geen aanvullend medisch onderzoek te verrichten.
De rechtbank volgt verweerder in zijn motivering en stelt vast dat het verblijfsrecht van eiser van rechtswege is geëindigd. Ook is geoordeeld dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat het niet horen in bezwaar gerechtvaardigd was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet heeft aangetoond sinds februari 2016 arbeidsongeschikt te zijn en zijn verblijfsrecht is geëindigd.