Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende aanvrager, verzocht om een visum voor kort verblijf in Nederland om een jubileumfeest van zijn zwager en zus bij te wonen. De Minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af vanwege onvoldoende bewijs van sociale en economische binding met Marokko, onvoldoende middelen van bestaan en onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel.
Eiser voerde aan dat hij voldoende middelen had via een garantsteller, zijn broer, en dat hij een studie in Marokko volgde, wat zijn terugkeer zou waarborgen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende sociale binding had aangetoond, mede omdat hij geen gezin had, geen uitzonderlijke afhankelijkheid van familieleden, en geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen. Ook werd het bestaan van een garantsteller niet als economische binding van eiser zelf beschouwd.
De rechtbank bevestigde dat de minister een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het beoordelen van het voornemen tot terugkeer en dat de twijfel over dit voornemen voldoende grond is om het visum te weigeren. De overige beroepsgronden werden niet inhoudelijk behandeld omdat het primaire bezwaar reeds gegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 mei 2018 door rechter J.M. Ghrib.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.