ECLI:NL:RBDHA:2018:6311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2018
Publicatiedatum
30 mei 2018
Zaaknummer
NL17.15308
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder b DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013Arrest C.K. e.a. tegen Slovenië (C-578/16)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht naar Kroatië op grond van Dublinverordening ondanks medische omstandigheden

Eiser, een Syrische asielzoeker, verzocht de rechtbank om het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan te vechten waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Kroatië niet kon worden aangenomen vanwege mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel en verwees naar het AIDA-rapport 2017.

Daarnaast voerde eiser aan dat vanwege zijn medische situatie, waaronder een bypassoperatie, overdracht tot verslechtering van zijn gezondheid zou leiden, en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening en relevante jurisprudentie dit verhinderen. De rechtbank oordeelde echter dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is en dat het niet aannemelijk is dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het AIDA-rapport bood onvoldoende grond om anders te beslissen.

De medische stukken toonden aan dat eiser stabiel is en kan reizen zonder aanzienlijke gezondheidsrisico's. De rechtbank vond dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn en dat aanvullende garanties niet nodig zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een onverplichte behandeling van de aanvraag rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter P.M. van Dijk-de Keuning en griffier A.E. Paulus op 22 mei 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht naar Kroatië wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.15308

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

ProcesverloopEiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 december 2017.

Het beroep is ter zitting behandeld op 9 maart 2018, gelijktijdig met een door eiser op 8 maart 2018 ingediend verzoek om een voorlopige voorziening (NL18.4807). Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het verzoek is toegewezen en het onderzoek in de beroepszaak is ter zitting geschorst, om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen.
Van eiser zijn stukken ontvangen op 12 april 2018. Van verweerder is een reactie ontvangen op 19 april 2018. Eiser heeft daarop gereageerd op 20 april 2018. Het onderzoek is met toestemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Syrische nationaliteit. Zijn asielaanvraag van 25 juli 2017 is bij het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat Kroatië - gelet op het claimakkoord van 13 september 2017 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) - verantwoordelijk wordt geacht voor behandeling daarvan.
2. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd:
- Ten aanzien van Kroatië kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser vreest schending van het verbod op refoulement bij overdracht naar Kroatië en verwijst daartoe naar het rapport van AIDA uit 2017, hoofdstuk 2.7.
- Eiser heeft onder meer een hartoperatie (bypassoperatie/CABG) ondergaan. Vanwege zijn medische omstandigheden heeft hij een beroep gedaan op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (C-578/16). Uit de na de zitting door eiser overgelegde informatie van behandelend artsen (cardioloog en KNO-arts) blijkt weliswaar dat geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie en dat reizen op zich mogelijk is, maar de vraag of overdracht leidt tot een verslechtering van de medische situatie van eiser is onbeantwoord gebleven. Verweerder dient dat te onderzoeken en mag eiser niet overdragen zonder toezegging van Kroatië dat de benodigde zorg wordt geboden.
3. Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor behandeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat er geen grond is voor het oordeel dat eisers asielaanvraag in Kroatië niet zal worden behandeld. Het rapport van AIDA noopt niet tot een ander oordeel. De eerste beroepsgrond faalt daarom.
4. Uit een brief van de behandelend cardioloog van 8 april 2018 blijkt dat eiser een bypassoperatie heeft ondergaan, dat er op 8 april 2018 geen cardiale klachten meer zijn en dat eiser stabiel is en bezig is met hartrevalidatie. Verdere zorg door een cardioloog is nodig, waarbij wordt opgemerkt dat dit uiteraard niet persé in Nederland dient plaats te vinden. Er bestaat geen bezwaar om te reizen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser kan worden overgedragen aan Kroatië. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie van eiser. Verder mogen de medische voorzieningen tussen lidstaten vergelijkbaar worden verondersteld. Aanvullende garanties over de mogelijkheid bij een cardioloog en/of andere specialist onder controle te blijven zijn daarom niet nodig. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht te behandelen. Ook de tweede beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.
Afschrift digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel