ECLI:NL:RBDHA:2018:6116
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding proceskosten na gegrondverklaring bezwaar tegen niet-behandeling verblijfsvergunning
Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat verzoekster niet op de afspraak bij het IND-loket verscheen. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 22 februari 2018 verklaarde verweerder het bezwaar gegrond en nam de aanvraag alsnog in behandeling. Verzoekster trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg vergoeding van proceskosten. Verweerder verzette zich tegen een hogere vergoeding dan reeds toegekend in bezwaar.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder met het besluit van 22 februari 2018 volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar, omdat het oorspronkelijke besluit niet in behandeling nemen is herzien op gronden die erkenning van onrechtmatigheid impliceren. Er was geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De voorzieningenrechter wees het verzoek om vergoeding van proceskosten toe en veroordeelde verweerder tot betaling van griffierecht en proceskostenvergoeding aan verzoekster.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens gegrondverklaring van het bezwaar.