ECLI:NL:RBDHA:2018:5903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens termijnoverschrijding
Eiser, met de Eritrese nationaliteit en verblijvend in Nederland op basis van een asielverblijfsvergunning, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en minderjarige familieleden. Deze aanvraag werd op 7 november 2016 afgewezen door verweerder. Eiser maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend.
Eiser stelde dat het bezwaarschrift op 5 december 2016 per post was verzonden via Vluchtelingenwerk Nederland, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de termijn voor bezwaar liep tot en met 6 december 2016 en dat het bezwaarschrift pas op 8 december 2016 werd ontvangen, wat te laat is. De stelling van eiser dat het bezwaarschrift tijdig was verzonden kon niet worden bewezen.
Verder wees de rechtbank erop dat er geen verschoonbare omstandigheden waren voor de termijnoverschrijding. Het ontbreken van een verzendbewijs en de taalachterstand van eiser konden niet als reden worden aangevoerd. Ook het feit dat het primaire besluit niet naar de gemachtigde was gestuurd, was terecht omdat de gemachtigde pas later was aangewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter G. van Zeben-de Vries op 9 mei 2018.
Uitkomst: Het bezwaar is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard; het beroep is ongegrond.