ECLI:NL:RBDHA:2018:5437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2018
Publicatiedatum
7 mei 2018
Zaaknummer
AWB 18/1021 en AWB 18/1022
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 5 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekersArt. 72 Vreemdelingenwet 2000Afdelingen 1, 3 en 4 hoofdstuk 7 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:1 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing vergoeding buitengewone kosten asielzoekers

Eisers, Albanese asielzoekers, dienden een aanvraag in voor vergoeding van buitengewone kosten voor een bezoek aan hun gemachtigde ter voorbereiding van hun asielprocedure. Verweerder, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), wees deze aanvraag af omdat de Regeling verstrekkingen asielzoekers niet van toepassing zou zijn op vreemdelingen in de vrijheidsbeperkende opvanglocatie.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was om kennis te nemen van het beroep, omdat het COA daartoe gemandateerd is en geen bezwaarprocedure vereist was. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de ontvankelijkheid en concludeerde dat eisers geen belang meer hadden bij de procedure, omdat hun asielberoepen reeds waren behandeld. Hoewel eisers materiële en immateriële schade stelden, konden zij dit onvoldoende onderbouwen.

Daarom ontbrak het aan procesbelang en verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vergoeding voor buitengewone kosten is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 18/1021 en AWB 18/1022

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2018 in de zaken tussen

[naam 1] , eiser, en

[naam 2], eiser,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. I.A. van der Valk-in ’t Veen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2018 heeft verweerder de aanvragen van eisers om een vergoeding voor buitengewone kosten afgewezen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de rechtbank hebben eisers het procesbelang nader toegelicht.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht met toestemming van partijen uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] en hebben de Albanese nationaliteit. Zij hebben hier te lande asiel aangevraagd. Bij twee afzonderlijke besluiten zijn deze aanvragen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Eisers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld.
2. Eisers hebben op 1 februari 2018 een aanvraag ingediend om een vergoeding voor buitengewone kosten betreffende een bezoek aan hun gemachtigde om de zitting over de afwijzing van de asielaanvragen voor te bereiden. Eisers hebben zich daarbij beroepen op artikel 17 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva).
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Rva niet van toepassing is op vreemdelingen zoals eisers, te weten vreemdelingen die in de vrijheidsbeperkende opvanglocatie (VBL) te Ter Apel verblijven.
4. Voordat mag worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, moet de bestuursrechter allereerst ambtshalve zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen.
5. Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank rijst de vraag of terecht niet eerst een bezwaarprocedure is gevolgd. De beantwoording van deze vraag houdt verband met de signalering van eisers dat er divergerende rechterlijke uitspraken zijn gedaan over de vraag welk bestuursorgaan bevoegd is om te beslissen over aanvragen als de onderhavige. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder het ter zake bevoegd gezag en blijkt dit uit het mandaatbesluit van 17 november 2017 met nummer 2140261 (
Stcrt. 2017, 68395) waarin de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn bevoegdheden aangaande (onder meer) voorzieningen op de VBL aan verweerder heeft gemandateerd.
6. Uit artikel 5, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers volgt dan dat in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw van toepassing zijn. Omdat afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw staat genoemd in bijlage I bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is in deze zaak gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awb terecht niet eerst een bezwaarprocedure gevolgd. De rechtbank acht zich bevoegd om van het beroep kennis te nemen.
7. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep wordt als volgt overwogen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen inmiddels op zitting zijn behandeld. Nu het bestreden besluit betrekking heeft op het vergoeden van kosten voor een bezoek aan de gemachtigde in het kader van diezelfde zitting, hebben eisers in zoverre geen belang meer bij het voeren van deze procedure. Zij hebben echter gesteld dat zij door het bestreden besluit schade hebben geleden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan daarin alsnog voldoende belang bestaan om de zaak inhoudelijk te behandelen, maar dient dan wel tot op zekere hoogte aannemelijk te worden gemaakt dat er daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:961).
8. Eisers hebben gesteld dat de schade bestaat uit materiele schade, te weten de kosten voor retourkaartjes voor busreizen tussen Ter Apel en Emmen en treinreizen tussen Emmen en Breda, en immateriële schade vanwege het niet kunnen overleggen met de gemachtigde. Deze stelling hebben eisers onderbouwd met schermafbeeldingen van de websites van de openbaar vervoerbedrijven. Daarmee kan echter niet worden vastgesteld dat eisers daadwerkelijk naar hun gemachtigde zijn gereisd en daarvoor kosten hebben gemaakt. Daarnaast is de gestelde immateriële schade in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat procesbelang ontbreekt.
9. Het beroep is niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.