ECLI:NL:RBDHA:2018:5343
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Koerdische Iraanse aanvrager wegens ongeloofwaardigheid
Eiser, een Iraanse Koerdische man, diende een asielaanvraag in op grond van vermeende politieke vervolging vanwege zijn etniciteit, religie en familiebanden met de Koerdische Democratische Partij Iran (KDPI). Hij stelde dat hij werkzaam was geweest bij de ordedienst van de Iraanse politie en dat hij vanwege zijn politieke activiteiten en die van zijn broer vervolging had ondervonden.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid. De rechtbank toetste dit besluit en concludeerde dat de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden bij de ordedienst, de omstandigheden van zijn ontslag en de politieke activiteiten onvoldoende betrouwbaar waren. Ook ontbrak overtuigend bewijs zoals originele documenten en consistentie in zijn verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat de stukken over de spoorwegpolitie en de verklaringen over zijn broer niet geloofwaardig waren. Daarnaast werd de stelling dat hij politiek actief was in zijn woonplaats niet aannemelijk geacht. De rechtbank volgde de staatssecretaris in de beoordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid.