ECLI:NL:RBDHA:2018:5340
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van derdenbeslag op uitkering en belastbaar inkomen
Eiseres ontving in 2013 een uitkering van €14.430, waarvan €1.446 door het UWV rechtstreeks aan een schuldeiser werd betaald wegens derdenbeslag. Eiseres had dit bedrag buiten haar aangifte belastbaar inkomen gelaten, maar de Belastingdienst legde de aanslag IB/PVV op basis van het volledige bedrag inclusief het beslagdeel op.
Eiseres voerde aan dat het derdenbeslag onrechtmatig was en dat de beslagvrije voet niet correct was toegepast. De rechtbank stelt echter vast dat zij alleen bevoegd is te oordelen over de juistheid van de aanslag en niet over de rechtmatigheid van het beslag of de hoogte van de uitkering.
Op grond van de Wet IB 2001 worden uitkeringen geacht te zijn genoten op het moment van terbeschikkingstelling, ook als een deel daarvan door derdenbeslag aan een schuldeiser wordt betaald. Dit betekent dat het beslagdeel tot het belastbaar inkomen van eiseres behoort. De rechtbank wijst ook de stelling af dat de beslagvrije voet invloed heeft op de vaststelling van het belastbaar inkomen.
De rechtbank concludeert dat de aanslag IB/PVV terecht is vastgesteld op het volledige bedrag van €14.430 en verklaart het beroep ongegrond. De financiële situatie van eiseres en de mogelijkheid tot betalingsregeling zijn niet relevant voor de beoordeling van de aanslag.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.C.J.A. Huijgens op 30 april 2018.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het beslagdeel terecht tot het belastbaar inkomen wordt gerekend.