ECLI:NL:RBDHA:2018:5251
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Grhib
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op verlenging verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
Eiseres, een uitgeprocedeerde asielzoeker met de Burundische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om de verblijfsvergunningen van haar en haar dochter slechts voor een jaar te verlengen. De dochter van eiseres is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, waarvoor zij een verblijfsvergunning tijdelijk humanitair heeft gekregen. De verblijfsvergunning van eiseres is afhankelijk van die van haar dochter.
Verweerder heeft de verlenging van de verblijfsvergunningen toegekend conform het beleid dat de geldigheidsduur van de vergunning van het kind gekoppeld is aan de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Eiseres stelt dat zij onterecht niet is gehoord en dat de jaarlijkse legesheffing onevenredig is. Tevens voert zij aan dat haar dochter nooit in de oorspronkelijke gezinssituatie kan terugkeren.
De rechtbank oordeelt dat het horen van eiseres niet noodzakelijk was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beleid van verweerder acht de rechtbank niet onredelijk en het is niet aan verweerder om een inhoudelijke beoordeling te maken van het gezag en de zorgsituatie van het kind, wat aan de Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechter is voorbehouden. De jaarlijkse legesheffing is inherent aan het systeem en niet onredelijk.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verlenging van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard.