ECLI:NL:RBDHA:2018:5148
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eisers hebben op 25 januari 2018 een asielaanvraag ingediend in Nederland. De Nederlandse Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Denemarken op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Uit Eurodac bleek dat eisers reeds op 7 december 2015 in Denemarken een verzoek om internationale bescherming hadden ingediend, dat op 1 januari 2018 werd afgewezen.
De Nederlandse autoriteiten hebben Denemarken verzocht eisers terug te nemen, waarop Denemarken heeft ingestemd. Eisers voerden in hun beroep aan dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen, dat de asielregels daar strenger zijn en dat zij na overdracht gedetineerd zouden worden. De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Denemarken zijn verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank stelt dat de afwijzing van de asielaanvragen in Denemarken niet betekent dat deze niet zorgvuldig zijn beoordeeld. Ook is niet gebleken dat eisers niet kunnen klagen over eventuele tekortkomingen in de Deense procedure. De bewering dat eisers na overdracht gedetineerd worden is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van indirecte refoulement en dat de Nederlandse overheid terecht heeft besloten geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om de asielaanvragen zelf te behandelen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-behandeling van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.