ECLI:NL:RBDHA:2018:4903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Burundi wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende bescherming minderjarige
Eiseres, een vrouw van Burundische nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege mishandeling door de tweede vrouw van haar overleden vader en langdurige gevangenschap en verkrachting door een militair. Verweerder achtte haar identiteit geloofwaardig, maar verwierp haar verhaal als ongeloofwaardig. Ook werd haar aanspraak op de erfenis van haar vader en de reden van haar verblijf bij de tweede vrouw niet aannemelijk geacht.
De rechtbank volgde verweerder in zijn oordeel dat eiseres onvoldoende bewijs leverde over de vermeende mishandeling en het gedwongen verblijf bij de militair. Haar verklaringen waren inconsistent en niet onderbouwd, bijvoorbeeld over de identiteit van de militair en de omstandigheden van haar terugvinding.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiseres niet behoort tot een kwetsbare minderheid die systematisch risico loopt op ernstige schendingen bij terugkeer naar Burundi. Ook het beroep op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) slaagde niet, omdat de belangen van haar minderjarige dochter voldoende waren meegewogen.
Gezien deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat de asielaanvraag terecht is afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de asielaanvraag af wegens ongeloofwaardig verhaal en onvoldoende bewijs van bescherming voor eiseres en haar dochter.