ECLI:NL:RBDHA:2018:4726
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang in verblijfsdocumentzaak
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Na intrekking van het eerste besluit is de aanvraag opnieuw afgewezen, waarna verzoekster bezwaar maakte tegen dit primaire besluit. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 2 maart 2018 verscheen verzoekster niet en gaf zij geen bericht van verhindering. De voorzieningenrechter stelde verzoekster in de gelegenheid om het spoedeisend belang toe te lichten, maar zij reageerde hier niet op. Op grond hiervan concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang bestond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dit vereist, zoals bepaald in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat dit niet het geval was, wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.M. Ghrib en griffier A.H. Ferment op 20 april 2018. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.