ECLI:NL:RBDHA:2018:4333
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiseres, een Syrische vrouw geboren in 1939, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op grond van nareis bij haar zoon, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiseres niet behoort tot de categorieën die volgens artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in aanmerking komen voor nareis.
Eisers stelden dat eiseres vanwege haar slechte gezondheid, financiële afhankelijkheid en de veiligheidssituatie in Syrië in aanmerking zou moeten komen voor een mvv op grond van artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank oordeelde dat de Minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet tot de groep nareisgerechtigden behoort en dat artikel 29, tweede lid, Vw 2000 strikt moet worden uitgelegd, conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank stelde vast dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro geen extra ruimte biedt voor een ruimere interpretatie van nareis en dat eiseres een reguliere aanvraag gezinshereniging kan indienen. Het beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn faalt omdat de Nederlandse wetgeving nareis beperkt tot het kerngezin. Ook het bezwaar dat verweerder de referent niet heeft gehoord werd verworpen, omdat dit geen invloed zou hebben op het besluit.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht en voldoende gemotiveerd is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.