Eiser, woonachtig en werkend in Argentinië, betwist de door verweerder gehanteerde omrekening van zijn buitenlands inkomen voor de draagkrachtberekening van studiefinanciering. Verweerder gebruikte de officiële gemiddelde jaarkoers van de Nederlandse Bank voor 2015, wat resulteerde in een toetsingsinkomen van €60.955. Eiser stelde dat de werkelijke inflatie in Argentinië veel hoger is en dat de officiële koers niet de reële waarde van zijn inkomen weerspiegelt, en verzocht om een andere koers te hanteren.
De rechtbank stelt vast dat de wetgever bij het vaststellen van de draagkracht expliciet niet heeft gekozen voor rekening houden met het besteedbaar inkomen of het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. De gehanteerde methode van verweerder wordt als objectief en passend beoordeeld. De stelling van eiser wordt verworpen, mede gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Verder is niet weersproken dat het aflosbedrag bij het gehanteerde inkomen €627,26 per maand bedraagt. Eiser is niet ingegaan op het aanbod van verweerder om het inkomen van 2017 te gebruiken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.