ECLI:NL:RBDHA:2018:3960
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring vreemdeling wegens vervalst visum en gevangenisstraf
Eiseres, een Congolese nationaliteit houdende vrouw, werd op 2 november 2016 de toegang tot Nederland geweigerd omdat zij arriveerde met een vervalst visum in haar reisdocument. Naar aanleiding hiervan werd zij strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde deze straf in hoger beroep.
Verweerder verklaarde eiseres ongewenst op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Eiseres voerde aan dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing zou zijn en dat zij ten onrechte niet was gehoord, en dat haar paspoort inmiddels was teruggekeerd naar Congo waardoor het visum niet langer vervalst zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat eiseres haar beroepsgrond over de Terugkeerrichtlijn tijdens de zitting had laten vallen en geen grond zag voor toepassing van het communautaire openbare orde-begrip. De rechtbank oordeelde dat de strafrechtelijke veroordeling tot gevangenisstraf voldoende grond bood voor de ongewenstverklaring en dat het niet onherroepelijk zijn van het arrest geen ander oordeel rechtvaardigt. Ook werd geoordeeld dat het horen van eiseres niet noodzakelijk was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de verklaring blijft in stand.