ECLI:NL:RBDHA:2018:3815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2018
Publicatiedatum
4 april 2018
Zaaknummer
AWB 17/14459
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.34a VvArt. 8 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet betaling leges bij aanvraag verblijfsvergunning regulier

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet in behandeling te nemen vanwege het niet betalen van de leges van €1.003,-. Eiser gaf aan dat hij financieel niet in staat was deze leges te betalen en verwees naar zijn slechte situatie, schulden en gebrek aan netwerk. De staatssecretaris oordeelde echter dat eiser niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling van leges op grond van artikel 3.34a onder k van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

De rechtbank overweegt dat het niet aannemelijk is dat de staatssecretaris onredelijk heeft gehandeld. De moeilijke situatie van eiser is inherent aan het ontbreken van verblijfsrecht. Bovendien is reeds in een eerdere uitspraak vastgesteld dat er geen sprake is van een beschermd privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. Omdat eiser de leges niet heeft voldaan ondanks herhaalde mogelijkheden, was de staatssecretaris verplicht de aanvraag buiten behandeling te laten.

Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wijst erop dat eiser in beroep kan gaan tegen de weigering van een verklaring op grond van artikel 3.34a onder k Vv. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Sinack op 16 maart 2018.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser de leges niet heeft voldaan en de aanvraag buiten behandeling is gelaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/15761

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 september 2017 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 februari 2018. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Libische nationaliteit. Aan eiser is met ingang van 10 februari 2010 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Bij besluit van 14 juli 2014 is deze vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 juli 2012. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2015 (201501381/1/V3) is deze intrekking in rechte vast komen te staan.
Op 8 juni 2017 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als verblijfsdoel ‘8 EVRM/humanitair’.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiser de vereiste leges ten bedrage van € 1.003,- niet heeft betaald.
Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij het legesbedrag niet kan betalen. Nu zijn verblijfsdoel een restcategorie betreft, dient verweerder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, met inachtneming van alle individuele feiten en omstandigheden, waaronder de onvermogendheid. Door niet-betalende vreemdelingen categoraal uit te sluiten van een inhoudelijke beoordeling van de mvv-plicht en mogelijk verblijfsrecht op humanitaire gronden, wordt in zoverre ook een effectief rechtsmiddel onthouden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan bevoegd is om een aanvraag buiten behandeling te laten, indien niet is voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van die aanvraag. Verweerder is verder wettelijk verplicht de aanvraag buiten behandeling te laten indien niet overeenkomstig de gestelde regels leges is voldaan.
6. Vaststaat dat eiser op grond van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv) een bedrag van € 1.003,- leges verschuldigd is voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag. Indien eiser in het bezit is van een verklaring zoals bedoeld in artikel 3.34a onder k, van het Vv, is het legesbedrag nihil.
7. Eiser heeft op 8 augustus 2017 aan het loket verklaard dat zijn situatie slecht is en dat hij geen netwerk of andere steun heeft. Ook heeft eiser verklaard dat hij met succes een inburgeringscursus heeft gevolgd, dat hij heeft gesolliciteerd en dat hij vrijwilligerswerk heeft gedaan. Eiser heeft schulden en is daardoor zijn huis kwijtgeraakt. Bij gebrek aan financiële middelen zijn ook alle medische behandelingen gestopt.
8. In de herstelverzuimbrief van 8 augustus 2017 heeft verweerder overwogen dat eiser volgens hem niet in aanmerking komt voor een verklaring zoals bedoeld in artikel 3.34a onder k, van het Vv.
9. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen. De omstandigheid dat eiser moeilijk in zijn bestaan kan voorzien, is inherent aan het feit dat hij in Nederland geen verblijfsrecht heeft. In het in rechte vaststaande besluit van verweerder van 20 juli 2014 tot het intrekken van eisers verblijfsvergunning asiel is verder al geoordeeld dat van een door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschermd privéleven geen sprake is.
10. Eiser heeft de verschuldigde leges niet voldaan, hoewel hij herhaalde malen daartoe in de gelegenheid is gesteld en verweerder hem erop heeft gewezen dat het niet voldoen aan deze verplichting ertoe zal leiden dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten.
11. Verweerder was dan ook gehouden om de aanvraag buiten behandeling te laten. Nu verweerder ter zake geen beslissingsruimte heeft, wordt niet getoetst op proportionaliteit. Daarbij is nog van belang dat de aanvraag een nationaalrechtelijke verblijfstitel betreft. Eisers stelling in beroep dat de buitenbehandelingstelling ertoe leidt dat hij nimmer toegang zal hebben tot de rechter voor wat betreft de vraag of hij al dan niet moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste leidt niet tot een ander oordeel. Van belang daarbij is dat eiser de vraag of hem in redelijkheid een verklaring zoals bedoeld in artikel 3.34a onder k, van het Vv is geweigerd, in beroep aan de orde kan stellen.
11. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.