ECLI:NL:RBDHA:2018:3779
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag wegens Dublinverordening Zwitserland
Eiser, met de Syrische nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door verweerder niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder baseerde zich op de Dublinverordening, omdat uit Eurodac bleek dat eiser eerder in Zwitserland een asielaanvraag had gedaan. Zwitserland heeft ingestemd met terugname van eiser op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.
Eiser betwist niet dat Zwitserland verantwoordelijk is, maar stelt dat verweerder de behandeling onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege de wijze waarop Zwitserland zijn asielprocedure uitvoert. De rechtbank oordeelt dat het persoonlijke relaas van eiser onvoldoende aanwijzingen biedt dat de Zwitserse procedure niet voldoet. Eiser heeft een tijdelijke verblijfsvergunning ontvangen en opvang genoten in Zwitserland.
De rechtbank wijst ook het verweer af dat verweerder een onjuiste wettelijke grondslag heeft gebruikt, omdat de acceptatie door Zwitserland op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening voldoende is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.