ECLI:NL:RBDHA:2018:3779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2018
Publicatiedatum
3 april 2018
Zaaknummer
NL18.4478
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 Verordening (EU) 604/2013Art. 17 Verordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag wegens Dublinverordening Zwitserland

Eiser, met de Syrische nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door verweerder niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder baseerde zich op de Dublinverordening, omdat uit Eurodac bleek dat eiser eerder in Zwitserland een asielaanvraag had gedaan. Zwitserland heeft ingestemd met terugname van eiser op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.

Eiser betwist niet dat Zwitserland verantwoordelijk is, maar stelt dat verweerder de behandeling onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege de wijze waarop Zwitserland zijn asielprocedure uitvoert. De rechtbank oordeelt dat het persoonlijke relaas van eiser onvoldoende aanwijzingen biedt dat de Zwitserse procedure niet voldoet. Eiser heeft een tijdelijke verblijfsvergunning ontvangen en opvang genoten in Zwitserland.

De rechtbank wijst ook het verweer af dat verweerder een onjuiste wettelijke grondslag heeft gebruikt, omdat de acceptatie door Zwitserland op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening voldoende is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.4478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4479, plaatsgevonden op 27 maart 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Zwitserland een asielvergunning heeft aangevraagd. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder aan Zwitserland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Zwitserse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 15 januari 2018 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
3.1
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betwist niet dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, maar voert aan dat verweerder de behandeling op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. De Zwitserse autoriteiten conformeren zich volgens eiser niet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, doordat zij eiser als Syriër niet in het bezit hebben gesteld van een vluchtelingenstatus dan wel subsidiaire bescherming hebben geboden, maar hem enkel in het bezit hebben gesteld van een zogenaamd F-document (provisionally admitted foreigners), hetgeen een tijdelijke vergunning betreft die jaarlijks dient te worden verlengd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze individuele omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
3.2
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het persoonlijk relaas van eiser geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Zwitserse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Eiser heeft immers verklaard dat hij een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen en opvang heeft genoten in Zwitserland. Indien eiser van mening is dat aan hem de verkeerde verblijfsvergunning is verstrekt, dient hij dit te bepleiten in Zwitserland.
4. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn beroepsgrond dat verweerder het besluit heeft gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag, nu verweerder terugname door Zwitserland heeft geclaimd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, terwijl Zwitserland een akkoord heeft gegeven op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Acceptatie door de Zwitserse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening volstaat.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel