ECLI:NL:RBDHA:2018:3757
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Iraanse verzoekster
Verzoekster, van Iraanse nationaliteit, had een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning asiel ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 6 maart 2018 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde verzoekster beroep in en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De behandeling van het verzoek tot voorlopige voorziening vond plaats op 29 maart 2018, gelijktijdig met de behandeling van het hoofdberoep (zaaknummer NL18.4705). Tijdens de zitting was verzoekster aanwezig met een tolk en werd verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts mogelijk is indien de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Omdat op dezelfde dag als deze uitspraak (3 april 2018) al een uitspraak op het hoofdberoep was gedaan, was het verzoek om voorlopige voorziening niet meer ontvankelijk en werd het afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het hoofdberoep reeds uitspraak is gedaan.