ECLI:NL:RBDHA:2018:3630
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting in Dublinprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting naar Frankrijk te voorkomen totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 29 maart 2018, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde zonder bericht afwezig waren.
De voorzieningenrechter overweegt dat het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro vereist dat een voorlopige voorziening alleen kan worden verleend als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Aangezien de rechtbank op dezelfde dag het beroep ongegrond heeft verklaard, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 30 maart 2018 en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.