ECLI:NL:RBDHA:2018:3628
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting in Dublinprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld tijdens de zitting op 29 maart 2018, samen met de hoofdzaak NL18.4737. Volgens artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening alleen worden toegekend als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist.
Omdat de rechtbank op dezelfde dag het beroep ongegrond heeft verklaard, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. Daarom is het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 maart 2018 door voorzieningenrechter J.M. Ghrib.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep al is ongegrond verklaard.