ECLI:NL:RBDHA:2018:3453
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens te late klacht bij verduistering
De rechtbank Den Haag behandelde op 23 maart 2018 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verduistering van een bedrag van 101.514 euro van haar moeder. De officier van justitie vorderde een taakstraf en hechtenis, maar stelde tevens dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een te late klacht.
De verdediging betoogde dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende concreetheid, maar de rechtbank oordeelde dat de dagvaarding voldeed aan de wettelijke eisen. Vervolgens werd vastgesteld dat de klacht van de benadeelde partij meer dan acht maanden na het verstrijken van de wettelijke termijn van drie maanden was ingediend, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
Als gevolg daarvan werd ook de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank wees het verweer van de verdediging af en sprak het vonnis uit in aanwezigheid van drie rechters en een griffier.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de klachttermijn en de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen.