ECLI:NL:RBDHA:2018:3419

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2018
Publicatiedatum
26 maart 2018
Zaaknummer
NL18.3930
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • G. de Zeben - de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 4:6 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag en oplegging inreisverbod

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze is door verweerder niet in behandeling genomen en er is een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder dit besluit mocht nemen omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, wat bevestigd is door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Eiser en zijn partner werden in Duitsland aangetroffen, waarna de Duitse autoriteiten Nederland op grond van het Dublinverdrag hebben verzocht hen terug te nemen. De rechtbank stelt vast dat de Dublinclaim niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid kan gelden, omdat eiser ook in Duitsland met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor de overdrachtstermijn is opgeschort.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het beroep buiten behandeling heeft gesteld en het inreisverbod heeft opgelegd. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen bij de zitting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.3930
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) niet in behandeling genomen. Verweerder heeft daarbij tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft eiser per brief van 29 november 2017 uitgenodigd om zich op 20 december 2017 te melden voor een aanvullend gehoor. Deze uitnodigingsbrief is op 1 december 2017 bij verweerder retour gekomen met als toelichting dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ook het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft, op navraag van verweerder, medegedeeld dat eiser sinds 30 november 2017 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is samen met zijn partner aangetroffen in Duitsland, waarna de Duitse autoriteiten Nederland op grond van het Dublinverdrag hebben verzocht eiser en zijn partner terug te nemen. Voor zover eiser heeft gesteld dat eiser daarom naar verwachting op korte termijn weer in Nederland zal zijn, maakt niet dat verweerder de aanvraag van eiser niet buiten behandeling kon stellen. Verweerder heeft er immers op gewezen dat de Duitse autoriteiten op 21 februari 2018 hebben laten weten dat eiser ook daar met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor de overdrachtstermijn tot 5 juli 2019 is opgeschort. De Dublinclaim kan dan ook niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid gelden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft het beroep dan ook buiten behandeling mogen stellen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank, gelet op voorgaande, evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte aan eiser een inreisverbod heeft opgelegd.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.