Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2018 in de zaak tussen
[eiser] ,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
19 februari 2018 niets heeft gezegd waaruit verweerder had moeten afleiden dat eiser zelfstandig naar Duitsland wilde vertrekken. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat eiser gezegd heeft dat hij niet naar Duitsland kon omdat hij last had van zijn voet, en dat hij niet naar Duitsland wilde omdat men hem daar niet heeft geholpen. Eiser heeft vervolgens gezegd dat hij daarmee bedoelde dat hij zelf zou vertrekken uit Nederland. Bovendien heeft eiser desgevraagd uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet wilde dat de Dienst Terugkeer en Vertrek de overdracht zou regelen.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
F.E. Jurgens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.