ECLI:NL:RBDHA:2018:3283
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige verklaring voor recht onrechtmatigheid strafrechtelijke aanhouding wegens artikel 197 Sr
Eiser werd op 27 februari 2018 in Amsterdam aangehouden wegens overtreding van artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht, omdat hij onrechtmatig in Nederland zou verblijven. De aanhouding was gebaseerd op een foute registratie bij de vreemdelingenpolitie, die ten onrechte vermeldde dat een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring van toepassing was, terwijl feitelijk een licht inreisverbod gold.
Na nader onderzoek werd eiser op 28 februari 2018 vrijgelaten en overgedragen aan de vreemdelingenpolitie, waarna hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld. Eiser stelde vervolgens een kort geding in met de vordering tot een voorlopige verklaring voor recht dat zijn aanhouding onrechtmatig was, met het oog op het lopende beroep tegen zijn vreemdelingenbewaring.
De rechtbank oordeelt dat de burgerlijke rechter bevoegd en ontvankelijk is in dit spoedeisende kort geding en dat eiser een spoedeisend belang heeft. De aanhouding op grond van artikel 197 Sr Pro was onrechtmatig omdat deze alleen mogelijk is bij een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring, wat niet op eiser van toepassing was.
De Staat kon niet aantonen dat de aanhouding rechtmatig was, aangezien het redelijke vermoeden was gebaseerd op een onjuiste statusregistratie. De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt de Staat in de proceskosten, met een uitvoerbare bij voorraad verklaring.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de aanhouding van eiser op grond van artikel 197 Sr onrechtmatig en veroordeelt de Staat in de proceskosten.