Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
Rechtbank Den Haag
Op 18 mei 2015 en 17 augustus 2016 zijn respectievelijk verzoeker 1 en verzoeker 2 betrokken geraakt bij ongevallen. Beide verzoekers werden aanvankelijk bijgestaan door mr. Emre, waarna een andere belangenbehartiger de behandeling overnam. Vervolgens sloten verzoeker 1 en ASR op 23 oktober 2017 en verzoeker 2 en ASR op 14 december 2017 een vaststellingsovereenkomst tegen finale kwijting.
Desondanks dienden verzoeker 1 en verzoeker 2 deelgeschilverzoeken in bij de rechtbank met betrekking tot betaling van buitengerechtelijke kosten. ASR voerde verweer dat er geen geschil meer bestond vanwege de vaststellingsovereenkomsten en dat de kosten reeds waren voldaan.
De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 1019w Rv ontvankelijkheid in een deelgeschilprocedure vereist dat er een bestaand geschil is dat beëindiging kan bijdragen aan een vaststellingsovereenkomst. Nu deze overeenkomsten reeds waren gesloten, waren verzoekers niet ontvankelijk. Tevens werd geoordeeld dat het indienen van de deelgeschilprocedures onnodig was en dat de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen, mede omdat mr. Emre zonder overleg met verzoekers handelde.
De kantonrechter wees de verzoeken af en besloot dat de kosten van de procedure niet vergoed worden en niet worden begroot. De beschikking werd uitgesproken op 14 februari 2018 door kantonrechter J.L.M. Luiten.
Uitkomst: Verzoekers worden niet ontvankelijk verklaard en hun verzoeken worden afgewezen; kosten van de procedure worden niet vergoed.