ECLI:NL:RBDHA:2018:2686
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek in verzetszaak over griffierechtvrijstelling
Verzoeker heeft in de hoofdzaak beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Belastingdienst en verzocht om vrijstelling van griffierecht. Omdat verzoeker geen bewijsstukken over zijn inkomen aanleverde, werd de vrijstelling geweigerd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker stelde vervolgens verzet in tegen deze beslissing.
Tijdens de verzetsprocedure diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de bestuursrechter omdat volgens hem het dossier onvolledig was en de zitting niet had moeten worden doorgezet zonder eerst een gesprek met de Belastingdienst af te wachten. De wrakingskamer behandelde het verzoek schriftelijk en tijdens een zitting waarbij verzoeker en de bestuursrechter niet aanwezig waren.
De wrakingskamer oordeelde dat de wrakingsgronden betrekking hadden op de hoofdzaak en niet op de verzetszaak, die uitsluitend ging over de vraag of de weigering van de griffierechtvrijstelling terecht was. Hierdoor waren de gronden niet relevant voor de verzetsprocedure en kon het wrakingsverzoek niet worden ingewilligd.
De kamer benadrukte het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid, wat hier niet het geval was. Het verzoek werd daarom afgewezen en de verzetsprocedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter wordt afgewezen en de verzetsprocedure wordt voortgezet.