ECLI:NL:RBDHA:2018:2629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2018
Publicatiedatum
7 maart 2018
Zaaknummer
17/11880
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 EVRMArt. 15c Richtlijn 2011/95/EUArt. 3.71 lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.72 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken geldig paspoort en mvv-vereiste

Eiser, een Libische nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen geldig paspoort of verklaring van de Libische autoriteiten kon overleggen.

Eiser voerde aan dat het ontbreken van een paspoort onvoldoende reden was voor afwijzing en dat de belangenafweging ten onrechte was gemaakt, waarbij ook werd gewezen op mogelijke strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 15c van de EU-Definitierichtlijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was de aanvraag af te wijzen op grond van het ontbreken van de vereiste documenten en dat eiser geen voldoende onderbouwing gaf voor zijn stellingen.

Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule en dat het niet horen van eiser in bezwaar geoorloofd was. Ook werd het beroep op uitstel van vertrek en het inreisverbod niet gegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens ontbreken van een geldig paspoort en het niet voldoen aan het mvv-vereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/11880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Eiser heeft op 8 december 2016 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel 'familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro'.
Bij besluit van 2 februari 2017 (primair besluit) heeft verweerder die aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 12 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Libische nationaliteit.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook wordt geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft eisers aanvraag ook afgewezen omdat eiser geen kopie van een geldig paspoort heeft overgelegd, dan wel een verklaring van de Libische autoriteiten waaruit blijkt dat hij niet (meer) in het bezit wordt gesteld van zo’n paspoort. Eiser is niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 3.6 van het Vb, en evenmin is uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van drie jaren.
3. Eiser stelt in beroep, kort samengevat, dat het enkel ontbreken van een paspoort gezien alle feiten en omstandigheden onvoldoende is om de gevraagde verblijfsvergunning te weigeren. Volgens eiser wordt hem ten onrechte het mvv-vereiste tegengeworpen, waarbij hij stelt dat de afwijzing van zijn aanvraag strijd oplevert met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Niet ter discussie staat dat sprake is van inmenging in eisers familieleven, zodat een belangenafweging moet worden gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft de betrokken belangen daarbij op onjuiste wijze gewogen, en ook heeft hij een onjuist toetsingskader gehanteerd. Er is sprake van onevenredige hardheid, en ten onrechte is geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook is hij ten onrechte niet gehoord voordat een beslissing is genomen op zijn bezwaren, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser betwist niet dat hij geen kopie van een geldig paspoort heeft overgelegd, dan wel een verklaring van de Libische autoriteiten waaruit blijkt dat hij niet (meer) in het bezit wordt gesteld van zo’n paspoort. Nu deze stukken ontbreken was verweerder reeds op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, in samenhang met artikel 3.72 van het Vb, bevoegd om de aanvraag af te wijzen. Wat eiser aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Voor het verlenen van een verblijfsvergunning onder de voorwaarde dat eiser achteraf een geldig paspoort mag overleggen, zoals bepleit door eiser, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien. Deze werkwijze is immers niet in overeenstemming met de regelgeving en de jurisprudentie daarover.
5. Reeds op grond van het onder 4 overwogene heeft verweerder de aanvraag van eiser kunnen afwijzen. De rechtbank zal daarom niet treden in de beoordeling van de beroepsgrond dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste. Wat eiser hieromtrent heeft aangevoerd, waaronder zijn beroep op artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 15c van de Definitierichtlijn, zal daarom ook onbesproken blijven.
6. Voor de conclusie dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, zoals gesteld door eiser, bestaat geen aanleiding. Eisers stelling dat sprake is van onevenredige hardheid, en dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Awb slaagt niet, reeds nu deze stelling niet nader is onderbouwd.
7. Verweerder heeft in eisers bezwaren geen aanleiding hoeven zien om hem in bezwaar te horen. Immers, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2754) mag van het horen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat daarvan in dit geval sprake was.
8. Eiser heeft verweerders beslissing om geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw en het door verweerder opgelegde inreisverbod niet betwist, anders dan door te verwijzen naar wat hij heeft aangevoerd in de bezwaarfase. Verweerder heeft in het bestreden besluit reeds een adequate reactie gegeven op de betreffende bezwaren. Een enkele verwijzing in beroep naar de gronden van bezwaar kan, zonder dat eiser uitlegt in hoeverre verweerders reactie daarop in het bestreden besluit te kort schiet, niet als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit worden beschouwd.
9. De slotsom is dat verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.