ECLI:NL:RBDHA:2018:2283
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Italië op grond van Dublinverordening
Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting naar Italië op 27 februari 2018. Hij voerde aan dat hij na vertrek uit Nederland in Duitsland een asielaanvraag had gedaan en dat de termijn van twaalf maanden waarbinnen Italië verantwoordelijk zou zijn volgens artikel 13, eerste lid, Dublinverordening, was verstreken.
De rechtbank stelde vast dat Italië op tijd een overnameverzoek had ingediend en dat de overdracht binnen de termijn van twaalf maanden gepland was, maar niet kon plaatsvinden omdat verzoeker zich aan de overdracht had onttrokken. Ook bleek dat Duitsland het asielverzoek niet in behandeling had genomen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker geen aanspraken kon ontlenen aan het verstrijken van de termijn van twaalf maanden, omdat binnen die termijn al een beroep op de verantwoordelijkheid van Italië was gedaan. Het bezwaar tegen de uitzetting had daarom geen redelijke kans van slagen.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en mocht de uitzetting doorgaan. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Italië is afgewezen.