Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2018 in de zaak tussen
thans h.o.d.n. [naam eiseres],te [plaats] ([buitenland]), eiseres
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verweerder legde eiseres, een in het buitenland gevestigde rechtspersoon, een boete op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede en vierde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het laten verrichten van werkzaamheden door een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) op een schip gelegen in de haven van een Nederlandse plaats.
Eiseres betwistte de bevoegdheid van verweerder om een boete op te leggen aan een buitenlands bedrijf en voerde aan dat zij er alles aan had gedaan om de vreemdeling de toegang tot het schip te weigeren. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was op grond van het territorialiteitsbeginsel, omdat de overtreding in Nederland had plaatsgevonden. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiseres als feitelijke werkgever kon worden aangemerkt, ook zonder instemming of wetenschap van de arbeid, en dat zij onvoldoende had gedaan om de overtreding te voorkomen.
De rechtbank verwierp het verweer dat de overtredingen één voortgezette handeling vormden en bevestigde dat afzonderlijke boetes voor de verschillende overtredingen gerechtvaardigd waren. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt ongegrond verklaard.