Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet kon aantonen en de feitelijke gezinsband met haar echtgenoot, de referent, niet was vastgesteld.
De rechtbank constateert dat eiseres geen geldig Eritrees identiteitsbewijs of paspoort heeft overgelegd en dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over het bezit van een identiteitskaart. Verweerder heeft terecht geen bewijsnood aangenomen, mede gelet op het ambtsbericht dat de meeste Eritreeërs wel over identiteitsdocumenten beschikken.
Eiseres heeft een huwelijksakte overgelegd die door het Team Onderzoek en Expertise als vals is beoordeeld. Daarnaast is het beroep op artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn verworpen omdat de vluchtelingenpas van de UNHCR geen officieel identiteitsbewijs is. De rechtbank volgt het beleid van verweerder dat vereist dat de vreemdeling een officieel identiteitsdocument overlegt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet in strijd met het beleid of de richtlijn heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens het niet aantonen van haar identiteit en gezinsband.