ECLI:NL:RBDHA:2018:1731
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling ouderschap transgenderpartner na in-vitrofertilisatie
In deze zaak verzocht de moeder samen met haar vrouwelijke partner, die oorspronkelijk man was en zaadcellen had ingevroren vóór haar transgendertraject, om gerechtelijke vaststelling van het ouderschap over hun kind dat via in-vitrofertilisatie is verwekt.
De rechtbank oordeelde dat het ouderschap van de partner kan worden vastgesteld omdat zij als levensgezel heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg had. Dit ondanks dat de partner niet als ouder op de geboorteakte staat en niet erkend is.
Een verzoek tot verklaring voor recht inzake het biologisch ouderschap werd afgewezen omdat de wet geen grondslag biedt voor vaststelling van een feit zoals biologisch ouderschap. Wel nam de rechtbank het DNA-onderzoek als vaststaand feit aan.
De bijzondere curator werd ontslagen omdat haar vertegenwoordiging niet langer nodig was. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en stelde het ouderschap van de transgenderpartner vast.
Deze uitspraak illustreert de juridische complexiteit rondom ouderschap bij transgenderpersonen en kunstmatige voortplanting binnen het huidige Nederlandse familierecht.
Uitkomst: Het ouderschap van de transgenderpartner wordt gerechtelijk vastgesteld; verklaring voor recht inzake biologisch ouderschap wordt afgewezen.