ECLI:NL:RBDHA:2018:1722
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens twijfel over het doel van het verblijf, onvoldoende middelen en onzekerheid over de terugkeer naar Iran. Eiseres voerde aan dat zij voldoende middelen heeft, zorg draagt voor haar moeder en een appartement bezit in Iran, en dat zij geen intentie heeft om in Nederland te blijven.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht twijfelde aan de sociale en economische binding van eiseres met Iran. De zorgplicht voor haar moeder was niet aannemelijk gemaakt, het bezit van een appartement en pensioenuitkering boden onvoldoende garantie voor terugkeer, en tegenstrijdige informatie over de verblijfsplaats van haar zoon deed afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar aanvraag.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte en er geen bewijs was dat zij en haar zoon elkaar elders niet konden ontmoeten. Het horen van betrokkenen in bezwaar was terecht achterwege gelaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.